You are here

Kenmerken van een sportvloer

KRACHTAFBOUW


De belasting op het menselijk lichaam bij het springen kunnen we vergelijken met de krachten die optreden als men een gewicht laat vallen. De ondergrond moet een gedeelte van de hierbij ontstane kracht afbouwen.  Op een zeer harde ondergrond (vb. beton) zal er nagenoeg geen krachtafbouw – demping – zijn.  Bij een zachte ondergrond (vb. een matras) daarentegen zal de krachtafbouw bijna maximaal zijn.  Een goede sportvloer moet voldoende demping garanderen maar mag niet te zacht zijn in functie van het energieverlies, de balreflexie en de stroefheid.
Bij het testen van de demping van een sportvloer wordt uitgegaan van een bepaalde normbelasting waarbij de krachtafbouw groter dan 50 % moet zijn.  Bij normaal gebruik van een sportvloer treden echter naast zeer kleine belastingen (lopen,…) ook zeer hoge belastingen (topsport, springen, vallen…) op.  Het is daarom noodzakelijk – voor multifunctionele sportvloeren – bij iedere belasting een goede krachtafbouw te hebben.
Uit diverse testen  kunnen we opmaken dat de meeste vlak-verende vloeren een progressieve demping hebben (vrij stug bij lage belastingen en een grote krachtafbouw bij hoge belasting).   Punt-elastische vloeren daarentegen hebben een degressieve demping (goede krachtafbouw bij lage belasting, maar slaan door bij hoge belasting of een groot contactoppervlak cfr. in het water duiken vs de buiklanding).
Studies (R. Müller en J Denoth) tonen aan dat de verticale vervorming van de sportvloer een evenzo belangrijke bijdrage levert tot de krachtafbouw en het voorkomen van blessures 


ENERGIEVERLIES


Bekijken we bij een sportvloer het krachtverloop ten opzichte van de indrukking van de vloer, dan zien we dat, bij de belastingsfase, de vloer zich gedraagt als een progressieve veer.  Bij het ontlasten zal de vloer trager terugkomen ten gevolge van de demping.  De oppervlakte onder de belastingslijn noemen we de belastings-energie, die onder de ontlastingslijn de ontlastingsenergie.  Het energieverlies is nu de verhouding tussen de ontlastings- en belastingsenergie.  Bij een goede sportvloer is dit energieverlies minder dan 20 %.


BALREFLEXIE

Een bal zal op een sportvloer iets minder hoog opstuiten dan op een betonvloer.  De balreflexie is de verhouding tussen de opstuithoogte bij een sportvloer en deze bij een betonvloer en moet groter zijn dan  98 %.


STROEFHEID

De juiste stroefheid is erg belangrijk.  Een sportschoen moet kunnen draaien en schuiven over een vloer zodat extra belastingen (enkels en knieën) vermeden worden.  Deze belastingen komen vaak voor bij te zachte vloeren doordat de voet als het ware in de vloer gedrukt wordt (wat zeer remmend werkt).  Van uitglijden mag natuurlijk geen sprake zijn, terwijl men met kleding juist wel moet kunnen schuiven en glijden.